De snelheid van Teun verhoudt zich tot de snelheid van Peter als 1 : 2. Dit spreek je uit als: één staat tot twee. Als Teun 17 kilometer per uur fietst, dan fietst Peter twee keer zo snel, dus 2 x 17 = 34 kilometer per uur.
Als je bijvoorbeeld een feestje geeft wil je van te voren weten hoeveel cola je in huis moet halen. Als je erop rekent dat 2 mensen samen 1 fles cola opdrinken, dan krijg je de verhouding aantal mensen : aantal flessen cola = 2 : 1.
Aan de andere kant betekent 1/2 een fractie van 1 op 2, wat betekent 1 deel van iets uit een totaal van 2 delen . Dus, bijvoorbeeld, als je melk op water hebt in de verhouding 1:2 (1 op 2), dan is 1/3 van het mengsel melk (1 deel op 3).
Dat doet hij door er een ander gebruik van '1 op 3' bij te betrekken, namelijk: als je zegt dat één op drie mensen diabetes krijgt, wil dat zeggen dat de ziekte 1 persoon wel en 2 personen niet treft.
Een half kun je ook als breuk schrijven: 1/2. Die breuk is slechts een deel van de pannenkoek, namelijk de helft. De helft van de pannenkoek is 1 van de 2 delen. Je kunt hetzelfde doen met gehelen die groter zijn dan 1.
Als je een kwart van de taart pakt, dan pak je 1 van de 4 stukjes en dan heb je 1/4 van de taart. Een breuk geeft eigenlijk een verhouding weer. Bij een taart is dat de verhouding tussen het deel dat jij pakt en het geheel: deel/geheel.
1:4 betekent 1 deel product op 4 delen water. 1:1 betekent gelijke delen product en water.
Dan kun je altijd zien welke van beide het grootste is. En vaak is een benadering in niet al te veel decimalen al genoeg. Een bijkomend aspect van gelijknamig maken is ook dat soms verschillende breuken dezelfde waarde hebben: 2/3 = 8/12.
Het juiste antwoord is: 2 : 1 is groter dan 1 : 2
Twee deeltjes die onder hoeken θ1 en θ2(<θ1) ten opzichte van de horizontaal worden geprojecteerd, bereiken dezelfde maximale hoogte.
Verhouding tot percentage voorbeelden
Stap 2: Vermenigvuldig 2/1 met 100 en we krijgen 200. (d.w.z.) (2/1)×100 = 200. Stap 3: Voeg het percentagesymbool toe aan de resulterende waarde en we krijgen het antwoord als 200% . Dus, 2:1 = 200%.
Stap 1: Laten we het kleinste gemene veelvoud (kgv) van de noemers vinden . Dus, aangezien de noemers 5 en 3 zijn, is het kgv van de noemers 5 × 3 = 15. Stap 3: Nu vereenvoudigen we het gewoon. We krijgen de waarde 15 5 : 15 3 = 3 : 5.
Om een verhouding te vereenvoudigen, deel je alle delen van de verhouding door hun grootste gemene deler . Een verhouding die is vereenvoudigd, wordt in zijn eenvoudigste vorm geschreven. Bijvoorbeeld, de grootste gemene deler van beide delen van de verhouding 4:2 is 2 , dus 4:2=2:1 4 : 2 = 2 : 1 .
In een verhoudingstabel reken je getallen om naar de gevraagde hoeveelheid. Je vermenigvuldigt of deelt de getallen, die in dezelfde kolom staan, met hetzelfde getal. De verhouding tussen de getallen boven en onder blijft steeds gelijk. Je werkt stap voor stap naar de onbekende ofwel naar de gevraagde hoeveelheid toe.
Je auto loopt bijvoorbeeld 1 op 10, dat betekent dat je auto 10 kilometer kan rijden op 1 liter brandstof. Bekijk hier hoe je jouw brandstofverbruik kan berekenen. Als je auto 1 op 20 loopt, kan je auto 20 kilometer rijden op 1 liter brandstof.
Een procent drukt, net zoals een breuk, een bepaalde verhouding uit. Wanneer iets 1/3 deel is van iets anders, kan je de breuk omzetten naar een kommagetal: 1/3 = 0,33... Dit wil dan zeggen dat het ongeveer 33 % zal zijn. (Het kommagetal x 100, dus.)
De breuk 2⁄5 is dus gelijk aan 40%, het percentage dat bij de strook uit het voorbeeld hoort.
Een equivalente fractie van twee derde (2/3) is zestien vierentwintigste (16/24).
De snelheid van Teun verhoudt zich tot de snelheid van Peter als 1 : 2. Dit spreek je uit als: één staat tot twee. Als Teun 17 kilometer per uur fietst, dan fietst Peter twee keer zo snel, dus 2 x 17 = 34 kilometer per uur.
1:4 betekent letterlijk 1/4 . "De winkansen zijn verhouding van winnaars is 1:4" betekent dat men 25% van de tijd wint. "De verhouding van winnaars tot verliezers is 1:4" of "de winkansen zijn 1:4" betekent dat er één winnaar is voor elke 4 verliezers, d.w.z. dat men 20% van de tijd wint.
Leg uit dat de verhouding 1 op 5 is. Dat wil zeggen dat het verbruik van de auto 1 liter benzine is per 5 kilometer. Laat de tabel zien en leg uit dat je het totaal aantal kilometers deelt door de kilometers per liter (60 : 5= 12). Je hebt dus 12 liter benzine nodig voor 60 kilometer.
De mengverhouding 1:4 staat tot 25%, een kwart. Dit houdt dat je aan 4 liter verf, 1 liter verharder of verdunner toevoegt. Hoeveel de 1:4 mengverhouding is hangt dus af van hoeveel verf je gaat gebruiken. Heb je 500ml verf, dan voeg je hier 1,25 verharder of verdunning aan toe.
Als je zo'n foto groter afdrukt en de breedte wordt 20 cm, dan wordt de hoogte ook twee keer zo groot, dus 30 cm. De verhouding tussen de breedte en hoogte blijft gelijk. De verhouding tussen breedte en hoogte is in dit geval "2 staat tot 3". Je kunt ook zeggen "2 op 3".
Leg uit dat om breuken om te zetten naar percentages je eerst 1 deel gaat berekenen. Je wil 1//8 gaan berekenen. Je weet dat 1//4 25% is.