De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat zich aanpast aan het onderwerp. Als het onderwerp enkelvoud is, is de persoonsvorm dat ook. Hij loopt, de mensen schreeuwden, ik fiets. Het voltooid deelwoord geeft aan dat iets al is gebeurd.
Het belangrijkste verschil tussen deze drie termen is dat de persoonsvorm varieert op basis van tijd, persoon en getal, het voltooid deelwoord wordt gebruikt in samengestelde tijden en passieve constructies, en de infinitief is de onveranderlijke basisvorm van het werkwoord.
Het is de werkwoordsvorm die hoort bij het onderwerp van de zin. De persoonsvorm is de vervoegde vorm van het werkwoord. De persoonsvorm past zich aan aan het onderwerp van de zin. Als het onderwerp bijvoorbeeld een enkelvoud is, zoals hij, dan is de persoonsvorm dat ook: hij loopt.
Er is ook een trucje om te achterhalen of u aan het eind van het voltooid deelwoord -t of -d moet schrijven. U kunt daarvoor vergelijken met de verledentijdsvorm. Als die op -de(n) eindigt, krijgt ook het voltooid deelwoord een -d.Als de verledentijdsvorm op -te(n) eindigt, krijgt ook het voltooid deelwoord een -t.
Een voltooid deelwoord begint vaak met ge-, maar kan ook beginnen met be-, -her, ver- of ont-. Met een voltooid deelwoord wordt aangegeven dat iets al gebeurd is. Het is belangrijk om te weten dat iets is afgerond wanneer er een voltooid deelwoord gebruikt wordt.
Om te bepalen of het voltooid deelwoord of de persoonsvorm verleden tijd een d of t krijgt, neemt je kind eerst de stam (= hele werkwoord -en) van het werkwoord. Als deze op een medeklinker uit 't kofschip eindigt, krijgt het woord een -t. Wanneer de laatste letter van de stam er niet in zit, schrijft je kind een -d.
Het voltooid deelwoord staat meestal achter in de zin en begint meestal met -ge.ook moet er een hulpwerkwoord in de zin staan bijvoorbeeld heb. zodat je bijvoorbeeld kan zeggen ik HEB het boek GELEZEN. dan is heb het hulpwerkwoorden en gelezen het voltooid deelwoord.
De correcte vervoeging is je/jij vindt.
Als het onderwerp je/jij achter de persoonsvorm staat, is de correcte vervoeging vind je/jij. Bij combinaties met je is het niet altijd even duidelijk of je het onderwerp van de zin is. Als u daaraan twijfelt, kunt u je proberen te vervangen door jij of jou(w).
Maak de zin vragend (ja/nee-vraag) -> de persoonsvorm komt vooraan in de zin te staan. Probeer de zin in een andere tijd te zetten -> het woord dat nu verandert, is de persoonsvorm. Zet het onderwerp van de zin in enkelvoud/meervoud -> het werkwoord dat mee verandert, is de persoonsvorm.
Onregelmatige werkwoorden: geen –en
In principe eindigt de infinitief op –en. Echter zijn er enkele uitzonderingen bij de werkwoorden gaan, slaan, staan, zien, doen en zijn. Ook varianten van deze werkwoorden, zoals verslaan en opstaan, eindigen niet op –en.
Finite werkwoorden zijn werkwoorden die overeenkomen met het onderwerp en de stemming, tijd, getal en persoon uitdrukken. Non-finite werkwoorden daarentegen, komen niet overeen met het onderwerp en kunnen worden gebruikt in de tegenwoordige deelwoord-, voltooide deelwoord- of infinitieve vorm om verschillende functies in een zin uit te voeren.
Een infinitief heeft géén onderwerp bij zich en kan niet van tijd veranderen.
Van de infinitief leiden we de vervoegde vormen van het werkwoord af, ook wel de eindige vormen van het werkwoord genoemd. Ze worden eindig genoemd omdat ze verwijzen naar gebeurtenissen die in de tijd verankerd zijn, dat wil zeggen, naar gebeurtenissen die een bepaalde tijd hebben: verleden, heden, toekomst .
eerste persoon: de spreker. tweede persoon: de aangesprokene. derde persoon: noch de spreker, noch de aangesprokene, maar een derde.
Wanneer de stam (het hele werkwoord zonder -en) eindigt op één van de medeklinkers uit 't kofschip, vervoeg je het werkwoord met -te. Alle andere werkwoorden krijgen de uitgang -de. Nu weet je ook hoe het voltooid deelwoord eruit komt te zien. Deze krijgt namelijk dezelfde -t of -d als uitgang.
De stam is krab. De laatste letter is b. Deze letter staat niet in 't kofschip. Daarom schrijf je krabde.
Dt-fouten voorkomen met de smurfenregel
Een bekend ezelsbruggetje voor werkwoordspelling in de onvoltooid tegenwoordige tijd is de 'smurfenregel'. Het is eigenlijk heel simpel: vervang een werkwoord in de tegenwoordige tijd door een vorm van 'smurfen' en je hoort meteen of er een -t achter moet.
Het werkwoord willen geven we in de derde persoon enkelvoud geen -t: hij wil, wil hij. De vorm hij wilt* (of wilt hij*) is niet correct.
Voor de spelling is het belangrijk om te weten dat ook deze werkwoorden in de verleden tijd slechts één vorm hebben voor enkelvoud en één voor meervoud. Het is 'hij vond' (en niet 'hij vondt). Hierop is één uitzondering, maar die is al behoorlijk aan het uitsterven: de gij-vorm heeft wel een toegevoegde t.
– voltooid/voltooit: 'ik voltooide' is met een 'd', dus 'voltooid' eindigt ook op een 'd'. – geleefd/geleeft: 'ik leefde' is met een 'd', dus 'geleefd' eindigt ook op een 'd'.