Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling of toestand centraal staat (wat het onderwerp doet of is) en bestaat uit alle werkwoorden, eventueel aangevuld met een naamwoordelijk deel. Het is de "motor" van de zin. Schrijfvis +3
Het gezegde bestaat uit de werkwoorden in een zin. Als er maar één werkwoord in de zin staat, dan is het gezegde de persoonsvorm. Als er meer werkwoorden in de zin staan, dan is het gezegde de persoonsvorm samen met de andere werkwoorden. Als je een zin gaat ontleden, begin je daarom altijd met de persoonsvorm.
Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling centraal staat in een zin. Het geeft aan wie of wat het onderwerp is of doet. Het gezegde bestaat uit minstens één werkwoord, dat soms aangevuld wordt met een (voor)naamwoord of met andere werkwoorden.
Vraag: “Wie of wat [persoonsvorm]?” Het antwoord op die vraag is het onderwerp van de zin. In ons voorbeeld: “Wie of wat eet een appel?” Het antwoord is Lola. Lola is dus het onderwerp. Zoek het gezegde (alle werkwoorden).
Het gezegde is het deel van een zin, dat zegt welke handeling het onderwerp verricht of ondergaat. Ik heb de hond al uitgelaten. Hij zal er nog wel voor gestraft worden. Een werkwoordelijk gezegde bestaat uit de persoonsvorm alleen, of uit de persoonsvorm met één of meer andere werkwoorden.
Een top 10 van de meest bekende Nederlandse spreekwoorden is lastig te bepalen, maar populaire keuzes zijn vaak "Wie het laatst lacht, lacht het best", "Zich de kaas niet van het brood laten eten", "Als er één schaap over de dam is, volgen er meer", "Vele handen maken licht werk", "Na regen komt zonneschijn", "Al draagt een aap een gouden ring", "Eieren voor je geld kiezen", "In het diepe springen", "Olie op de golven gieten" en "Met de moed der wanhoop", stuk voor stuk met een duidelijke moraal of beeldspraak.
Wel heeft vrijwel elke zin (behalve een elliptische zin) een onderwerp en een gezegde. 'Ik slaap' bestaat uit een onderwerp (ik) en een gezegde (slaap). De zin 'Anna leest een boek' heeft een onderwerp (Anna), een gezegde (leest) en een lijdend voorwerp (een boek).
Leuke Nederlandse spreekwoorden zijn bijvoorbeeld "Als de kat van huis is, dansen de muizen" (als de baas weg is, doen mensen gek), "Dat slaat als een tang op een varken" (dat slaat nergens op), en "Nou breekt mijn klomp" (verbaasd zijn). Ook bekend zijn: "Waar rook is, is vuur" (geruchten hebben vaak een kern van waarheid), en "Vele handen maken licht werk" (samenwerken maakt iets makkelijker).
Het gezegde is een begrip dat je kind waarschijnlijk op school tegenkomt bij het ontleden van zinnen. In het kort geeft het gezegde aan wat er met het onderwerp (wie of wat) gebeurt, of welke actie wordt uitgevoerd. Het bestaat uit alle werkwoorden van de zin.
Het is vind jij (in een vraag) en jij vindt (in een bevestigende zin); de 't' valt weg als 'jij' achter de persoonsvorm staat in een vraag, omdat 'jij' dan het onderwerp is, terwijl 'jij vindt' correct is als 'jij' het onderwerp is dat voor de persoonsvorm staat (bv. "Jij vindt dat mooi"). De correcte vorm in een vraag is dus altijd de stam: Vind jij.
Hieronder vind je drie voorbeelden van gezegden. Ook dit gaat voorbij . Oordeel niet te snel. Wat je makkelijk krijgt, krijg je ook weer kwijt.
Vergelijkbare termen zijn spreekwoordelijk gezegde, zegswijze, gebruikelijke zegswijze, spreekwijze, zeispreuk of staande uitdrukking. Sommigen maken een onderscheid tussen gezegde (die geen werkwoord zou mogen bevatten) en zegswijze (die wel een zin kan vormen), maar in de praktijk lopen de termen door elkaar.
Wat niet weet, wat niet deert. ''t Geen men niet weet, deert het herte niet, van iets geheel onbekends kan men geen smertelijke aandoening hebben' (Tuinman I, 331). Vgl.
Het naamwoordelijk gezegde (=NWG) komt voor als het hoofwerkwoord zijn, worden, blijven, blijken, lijken en schijnen (ezelsbruggetje: ZWoBBeLS) is. Als het een naamwoordelijk gezegde is, heb je een naamwoordelijk deel (=NWD). Dit deeltje zegt iets meer over het onderwerp.
Het gezegde bestaat uit de werkwoorden in een zin. Als er maar één werkwoord in de zin staat, dan is het gezegde de persoonsvorm. Als er meer werkwoorden in de zin staan, dan is het gezegde de persoonsvorm samen met de andere werkwoorden.
Op basis van hun functie in een zin worden zinsdelen onderverdeeld in verschillende typen: 1) Naamwoordgroep, 2) Werkwoordgroep, 3) Bijvoeglijke naamwoordgroep, 4) Bijwoordgroep, 5) Gerundiumgroep, 6) Infinitiefgroep, 7) Prepositionele groep en 8) Absolute groep .
Het gezegde bestaat meestal uit alle werkwoorden in een zin. De persoonsvorm hoort altijd bij het gezegde. Het gezegde kan werkwoordelijk of naamwoordelijk zijn.
Nederlandstalige spreekwoorden
Quid pro quo is een Neolatijnse uitdrukking die sinds 1560 in gebruik is, en betekent letterlijk "het ene voor het andere". In klassiek Latijn komt deze combinatie van woorden niet voor. Deze uitdrukking kan op twee manieren vertaald worden: Een tegenprestatie: "voor wat, hoort wat".
Woorden hebben een immense kracht, en de vriendelijkheid die we ermee uiten, kan een grote impact hebben op het leven van de mensen om ons heen. "Ik geloof in je", "Jij maakt het verschil" en "Ik waardeer je" zijn drie van de meest vriendelijke dingen die je tegen iemand kunt zeggen.
Die niet hooren wil, moet voelen, die niet naar vermaningen wil luisteren, moet maar op onaangename wijze de gevolgen dragen van zijn onwil; ook gezegd tot een kind dat men door lichamelijke straf tot rede brengt. Vgl.
Neem bijvoorbeeld de eenvoudige zin "Ik at." In dit geval is 'ik' het onderwerp en 'at' het gezegde . Gezegden moeten altijd minstens één werkwoord bevatten om de handeling weer te geven, maar kunnen ook andere woorden en zinsdelen bevatten, zoals voorzetselgroepen, bijwoorden, lijdende voorwerpen of meewerkende voorwerpen.
Gisteren was het woord 'OK' 175 jaar oud. Het is het meest gebruikte woord ter wereld, zelfs meer dan 'mama'. Volgens professor Metcalf is OK een afkorting van 'orl korrekt' dat eigenlijk 'all correct' (alles in orde) had moeten zijn. Dit ontstond in de jaren 1830.
In de taalkunde is een nominale zin (ook wel gelijkheidszin genoemd) een zin zonder een persoonsvorm. Omdat een nominale zin geen werkwoordelijk predicaat heeft, kan deze een nominaal predicaat, een adjectivisch predicaat, in Semitische talen ook een adverbiaal predicaat of zelfs een prepositioneel predicaat bevatten.