In de meeste gevallen is waaronder ik de correcte keuze, omdat "waaronder" vaak fungeert als een verkorting van een nieuwe bijzin waarin "ik" het onderwerp is.
Als het voornaamwoord de functie van onderwerp vervult, is ik de correcte vorm. Als het om een lijdend of meewerkend voorwerp gaat, is mij correct.
”Waaronder” gebruik je voor een ding/zaak onder vele andere. Bijvoorbeeld: “Er stonden veel auto's geparkeerd, waaronder ook een Ferrari.”
De persoonlijke voornaamwoorden ik, mij, wij en ons komen daarom bij voorkeur aan het einde van de nevenschikking. Bij ik en mij is die voorkeur het sterkst. Sara, Piet en ik doen niet mee aan de wedstrijd. Die cadeautjes zijn voor jou en mij.
▸ Ze was blond en droeg een lange crèmekleurige cape waaronder een zwart-wit gestreepte strandschoen uitstak. ▸ Eerder schreef ze succesvolle boeken, waaronder de historische romans De crèche, die een internationale bestseller werd, en Terug naar Insulinde.
waaronder bijwoord Uitspraak: [ war'ɔndər ] Afbreekpatroon: waar·on·der onder dat wat is genoemd of onder dat waar je naar verwijst Voorbeelden: 'Waar valt dit onder?' , 'Er zijn veel kerken in de stad, waaronder enkele middeleeuwse.
In formele en officiële boodschappen kunnen lezers het gebruik van ik als eerste woord als onbeleefd ervaren. Door te starten met ik kunt u immers de indruk wekken dat u zichzelf belangrijker vindt dan de lezer. U kunt dat gemakkelijk voorkomen door een ander zinsdeel op de eerste plaats te zetten.
Het is Jan en ik als jullie het onderwerp van de zin zijn (bv. "Jan en ik gaan naar de film") en Jan en mij als het om het lijdend of meewerkend voorwerp gaat (bv. "Het gaat tussen Jan en mij" of "Geef dat aan Jan en mij"). Een makkelijke truc is om de zin te proberen zonder de ander: als het "Ik ga naar de film" wordt, is 'Jan en ik' correct; als het "Het gaat tussen mij" wordt, is 'Jan en mij' correct.
Juist is: 'beter dan ik'. Het is een verkotring van: 'hij zingt beter dan ik zing'. Bij vergelijkingen met 'als' gebeurt hetzelfde: hij zingt net zo goed als ik (zing). 'Dan' is juist bij vergelijkingen die een ongelijkheid uitdrukken: ik ben ouder dan zij, hij is groter dan zijn broer, dat kost veel meer dan ik dacht.
Bij ik is er altijd een werkwoord: Ik vraag aan mama (werkwoord vragen). Bij het gebruik van het woord aan gebruik je ook mij. Dus: Mama vraagt aan mij.
onder dat wat is genoemd of onder dat waar je naar verwijst
Voorbeelden: `Waar valt dit onder?`, `Er zijn veel kerken in de stad, waaronder enkele middeleeuwse. `
Een 't' komt achter de stam van een werkwoord in de tegenwoordige tijd bij onderwerpen als jij/je (voor het werkwoord), u, hij/zij/het, of een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud (stam + t), en in de verleden/voltooide tijd als de stam eindigt op een letter uit 't kofschip' (t, k, f, s, ch, p) (stam + te/ten/t). Gebruik het ezelsbruggetje 't kofschip (of 't fokschaap) voor de verleden tijd en vervang het werkwoord door 'lopen' in de tegenwoordige tijd om te horen of een 't' nodig is.
De taaladviezen achten verwijzing met 'waaronder' (en soortgelijke woorden, zoals 'waarvan', 'waarmee') naar personen correct, maar 'informeel'. Ze suggereren dat het aanvankelijk een spreektaalvorm was, maar nu ook in informele schrijftaal toegestaan is.
Me is de onbenadrukte vorm van mij, zoals in “ik heb me vergist” en is nooit een bezittelijk voornaamwoord. Informele bezittelijke voornaamwoorden, zoals “m'n”, gebruik je nooit in academische teksten. “Mij” mag alleen gebruikt worden als er een voorzetsel voor staat: “dit onderzoek is van mij”.
Als jij en een of meer anderen het onderwerp van de zin zijn, gebruik dan 'ik' . Als jij en een of meer anderen het lijdend voorwerp of het lijdend voorwerp van de zin zijn, gebruik dan 'mij'.
In de meeste gevallen is het aan te bevelen om na zoals de vorm ik te gebruiken, omdat de zin een onderwerpsvorm vereist. U kunt die vorm vinden door in constructies van het type doen zoals de zin aan te vullen met een werkwoordsvorm.
"Ik" is het onderwerp van een zin, terwijl "mij" het lijdend voorwerp is. Dit betekent dat je "ik" moet gebruiken als jij degene bent die de handeling uitvoert, terwijl je "mij" gebruikt wanneer een handeling op jou wordt uitgevoerd .
Als het voornaamwoord de functie van onderwerp vervult, is ik de correcte vorm. Als het om een lijdend of meewerkend voorwerp gaat, is mij correct.
"Smarter than I am" is de meest voorkomende vorm in formele teksten. De reden hiervoor is dat vrijwel alle Engelstaligen deze vorm acceptabel vinden, terwijl er rond de andere twee vormen enige controverse bestaat.
Zelfs moedertaalsprekers van het Engels maken hier vaak een fout. Dezelfde regels die we al hebben geleerd, gelden ook hier. Als de personen het onderwerp van het werkwoord zijn, gebruik je 'ik'. Als de personen het lijdend voorwerp van het werkwoord zijn, is 'mij' correct.
Er is geen regel die bepaalt in welke volgorde de personen in een nevenschikking genoemd worden. Wel geldt het als een teken van beleefdheid dat men zichzelf niet als eerste noemt. De persoonlijke voornaamwoorden ik, mij, wij en ons komen daarom bij voorkeur aan het einde van de nevenschikking.
Soms kan het lastig zijn om te bepalen of je 'ik' of 'mij' moet gebruiken in een zin. Gebruik het voornaamwoord 'ik' wanneer de spreker de handeling uitvoert, alleen of samen met iemand anders. Gebruik het voornaamwoord 'ik' wanneer de spreker de handeling van het werkwoord op de een of andere manier ondergaat, direct of indirect.
Antwoord. Een brief of e-mail aan iemand van wie het gender niet bekend is, kan beginnen met een aanhef als Beste + voornaam/voorletter(s) + achternaam, bijvoorbeeld Beste Kim Verbeek. Ook een aanhef met Geachte + voornaam/voorletters + achternaam is mogelijk.
Het is vind jij (in een vraag) en jij vindt (in een bevestigende zin); de 't' valt weg als 'jij' achter de persoonsvorm staat in een vraag, omdat 'jij' dan het onderwerp is, terwijl 'jij vindt' correct is als 'jij' het onderwerp is dat voor de persoonsvorm staat (bv. "Jij vindt dat mooi"). De correcte vorm in een vraag is dus altijd de stam: Vind jij.
Andere voegwoorden aan het begin van een zin
Hetzelfde geldt trouwens voor de woorden 'maar', 'of', 'dus' en 'want'. Ook met deze voegwoorden kun je een zin beginnen.