Gedrag bestaat uit waarneembare handelingen (direct waarneembaar voor anderen en jezelf), niet-waarneembare handelingen (innerlijk gedrag) of onbewuste (reflexmatige) handelingen. Veel gedragingen hebben een erfelijke basis. Hoe groot die invloed van de erfelijke factoren is, is niet precies vast te stellen.
Gedrag is dus alles wat we doen en laten.Alles wat we doen uit onszelf, maar ook alles wat we doen als reactie op hetgeen om ons heen gebeurt. Gedrag is evolutionair gezien van levensbelang voor de mens: het bouwt een gemeenschappelijke visie en leidt daarmee tot groepsvorming.
Gedrag wordt volgens Theo Poiesz bepaald door drie factoren, namelijk motivatie, gelegenheid en capaciteit. Motivatie is de mate waarin de persoon een doel wenst te bereiken, of interesse heeft voor specifiek gedrag.
Gedrag is gericht op de vergroting van de overlevingskans (functie) en ontstaat als gevolg van inwendige en uitwendige prikkels (oorzaak). Motivatie is de bereidheid een bepaald gedrag te vertonen. Een sleutelprikkel is de doorslaggevende uitwendige prikkel die een bepaald gedrag veroorzaakt.
Gedrag is het geheel van acties en reacties van een organisme, gewoonlijk met betrekking tot de natuurlijke omgeving en de sociale omgeving. De psychologie maakt verder onderscheid tussen uitwendig, voor derden waarneembaar gedrag, en inwendig, innerlijk gedrag zoals denken en voelen.
Gedrag is hoe iemand handelt . Het is wat een persoon doet om iets te laten gebeuren, om iets te veranderen of om dingen hetzelfde te houden. Gedrag is een reactie op dingen die gebeuren: intern - gedachten en gevoelens. Extern - de omgeving, inclusief andere mensen.
Het gedrag van mensen kan door diverse aspecten bepaald worden. Bijvoorbeeld door de sociale omgeving, het zelfbeeld van iemand, emotie(s), kennis over een onderwerp, een automatische reactie, houding en/of de weerstand die iemand ervaart.
Gedrag wordt beïnvloed door factoren die met de persoon zelf te maken hebben, waaronder: fysieke factoren - leeftijd, gezondheid, ziekte, pijn, invloed van een middel of medicijn. persoonlijke en emotionele factoren - persoonlijkheid, overtuigingen, verwachtingen, emoties, geestelijke gezondheid. levenservaringen - familie, cultuur, vrienden, levensgebeurtenissen.
De handelingen in een gedragssysteem worden gedragselementen genoemd. Denk bijvoorbeeld aan het vluchtsysteem. Als je huis in brand staat wil je zo snel mogelijk naar buiten, je gaat dan rondkijken of er ergens een uitgang is. Dan ren je naar de uitgang toe om het huis te verlaten.
In het gedragswiel vind je drie grote categorieën van determinanten: competenties, drijfveren en context.
Gedrag wordt veroorzaakt door inwendige en uitwendige factoren. De bereidheid (drang) tot het verrichten van een bepaald gedrag. De motivatie wordt beïnvloed door het 1) hormoonstelsel en het zenuwstelsel 2) Abiotische factoren (temperatuur, daglengte). Voorbeelden: Honger en dorst (voedingsdrang), Voortplantingsdrang.
In het model worden drie factoren genoemd die bij elk gedrag een rol spelen: capaciteit, omgeving en motivatie. Deze drie factoren interacteren voortdurend met elkaar en bepalen of je een bepaald gedrag wel of niet uitvoert. * Opportunity betekent gelegenheid. Hier vertalen we het als omgeving.
Elk type gedrag wordt gemeten aan de hand van twee belangrijke dimensies. Die twee dimensies zijn de mate waarin een persoon geneigd is te vragen of te vertellen en de mate waarin een persoon emoties uit of zijn/haar emoties onder controle heeft. Wanneer deze dimensies elkaar kruisen, ontstaan er 4 belangrijke soorten gedrag: Tell/Control; Ask/Control; Ask/Emote; Tell/Emote .
Aristoteles gaf een duidelijke specificatie van dit soort verklaringen, die hij efficiënte oorzaken (triggers), formele oorzaken (modellen), materiële oorzaken (substraten of mechanismen) en doeloorzaken (functies) noemde.
Menselijk gedrag is het resultaat van de wisselwerking tussen drie fundamentele componenten: biologische, psychologische en sociaal-culturele factoren . Deze elementen zijn niet geïsoleerd; ze interacteren dynamisch om de manier waarop we de wereld waarnemen en erop reageren vorm te geven.
Het kan worden beïnvloed door een veelheid aan factoren, zoals genetica, omgeving, leren, sociale interacties en fysiologische processen . Door de verschillende soorten gedrag te begrijpen, kunnen onderzoekers gedrag vanuit verschillende perspectieven onderzoeken en analyseren.
De belangrijkste factoren die de persoonlijkheid van de mens beïnvloeden zijn genetische erfelijkheid en omgevingsfactoren .
Gedrag komt voort uit wat we denken, voelen, willen, kunnen, vinden… Gedrag is er altijd, het is het enige middel dat we hebben om onze drijfveren en doelen te verwezenlijken. Gedrag is alles wat mensen doen of juist niet doen.
Je hersenen regelen je gedrag en persoonlijkheid. Als door een hersenaandoening schade ontstaat in de hersenen, kan je gedrag veranderen. Wat dit precies betekent, is voor iedereen anders: de een doet bijvoorbeeld veel minder dan eerst, terwijl een ander plotseling allerlei dingen doet zonder erover na te denken.
De DISC methode is gebaseerd op het principe dat menselijke gedragstypen in vier groepen op te delen zijn: D (Dominant), I (Invloedrijk), S (Stabiel) of C (Conformistisch). In 1956 publiceerde de arbeids- en organisatiepsycholoog Walter Vernon Clarke een persoonlijkheidstest op basis van de DISC.
Gedrag is de externe reactie van een persoon op zijn omgeving . Alle gedrag, zoals schreeuwen, huilen, rennen of iets gooien, kan worden waargenomen en gemeten. De gedragsdefinitie omvat ook hoe een organisme functioneert als reactie op iets om een bepaalde vorm van voldoening te verkrijgen.
Aangeboren gedrag wordt bepaald door genetische en biologische factoren. Iedereen wordt geboren met een bepaalde persoonlijkheid of neiging, die invloed heeft op hoe we reageren op onze omgeving. Denk aan temperament, emotionele reacties en basale gedragsvoorkeuren.