Ja, weekend is een Engels leenwoord dat volledig is ingeburgerd in de Nederlandse taal. Vlaanderen.be
Het woord weekend (uitgesproken als [wiekent]) is overgenomen uit het Engels en al een hele tijd ingeburgerd in de Nederlandse taal. Het verwijst naar de periode van vrijdagavond tot maandagmorgen waarin men vrij is van school of werk.
Vanuit religieus oogpunt is het weekend ooit ontstaan als de vrije zondag. Zondag was een dag van rust en bezinning na een lange zesdaagse werkweek. Het ideale moment om te reflecteren en bij God te zijn. Een twee dagen durend weekend werd pas in de 19de eeuw geïntroduceerd.
Simpel gezegd: Engelse leenwoorden zijn woorden die oorspronkelijk uit het Engels komen, maar die we in het Nederlands hebben overgenomen. Een paar veelvoorkomende voorbeelden: Computer. Laptop.
Veruit de meeste Engelse leenwoorden zijn mannelijke de-woorden. Bijvoorbeeld: de adware, de airbag, de airfryer, de backflip, de cardigan, de computer, de chopstick, de deadline, de egotrip, de fitness, de hashtag, de jetlag, de penalty, de printer, de privacy, de show, de titeltrack, de tool, de wiscrack, de ziplock.
Er is geen betekenisverschil, het gaat alleen om een verschil in spelling. Het Engelse weekend is ook in het Nederlands veel gebruikelijker dan weekeinde. In samenstellingen is het bijna altijd weekend: zeilweekend, enz. Beide woorden kennen een meervoud op -s en op -(e)n.
Ook de Amerikaanse industrieel Henry Ford sprong vroeg op de kar van het tweedaagse weekend. Hij gunde zijn werknemers al twee dagen weekend aan het begin van de twintigste eeuw, terwijl de overheid dit pas in 1938 officieel invoerde. Ford had wel zo zijn eigen redenen om zijn werkgevers een extra dag verlof te geven.
In Noord-Engeland maakten industriëlen en arbeiders vrijwillige afspraken, waarbij werknemers de halve zaterdag en de hele zondag vrij kregen op voorwaarde dat ze maandag nuchter op het werk kwamen. De eerste stappen richting een weekend om te ontspannen werden zo'n 100 jaar geleden gezet.
eens per week bijw. — weekly bijw.
bon week-end à tou·te·s! (fijn weekend iedereen!)
Een leenwoord is een woord dat oorspronkelijk uit een andere taal komt. In de Nederlandse taal komen we vandaag de dag een groot aantal leenwoorden uit het Engels, Frans, en Duits tegen. Een groot deel van de leenwoorden wordt hetzelfde gespeld als in de taal waaruit ze afkomstig zijn.
weekend (zn) : weekeinde, weekeind.
Maandag is naar de maan genoemd. Bij de Romeinen heette de dag dies Lunae, wat Latijn is voor "dag van de maan".
Veel Europeanen hebben deze extra vrije dag na Kerstmis, maar dit is een traditie die de Amerikanen bijvoorbeeld helemaal niet kennen. Waarom vieren wij eigenlijk Tweede Kerstdag? Nog voor het ontstaan van het christendom vierden de heidense Germanen al het 'Joelfeest', ook wel bekend als het 'Midwinterfeest'.
Ons gebruik van de zevendaagse week kan worden herleid tot de astronomisch begaafde Babyloniërs en het decreet van koning Sargon I van Akkad rond 2300 v.Chr. Zij vereerden het getal zeven, en vóór de uitvinding van de telescoop waren er zeven belangrijke hemellichamen (de zon, de maan en de vijf planeten die met het blote oog zichtbaar zijn).
Het woord weekend (uitgesproken als [wiekent]) is overgenomen uit het Engels en al een hele tijd ingeburgerd in de Nederlandse taal. Het verwijst naar de periode van vrijdagavond tot maandagmorgen waarin men vrij is van school of werk.
De juiste term is "weekend", een zelfstandig naamwoord dat verwijst naar de twee dagen na de werkweek, meestal zaterdag en zondag. Het is belangrijk om te onthouden dat "weekend" één woord is en niet in twee aparte woorden moet worden opgesplitst.
De wettelijke werkweek (Brits Engels), of werkweek (Amerikaans Engels) , is het deel van de zeven dagen van de week dat is gewijd aan werken. In het grootste deel van de wereld loopt de werkweek van maandag tot en met vrijdag en het weekend bestaat uit zaterdag en zondag. Een werkdag is elke dag van de werkweek.
Op deze woordenlijst lees je een deel van de Engelse leenwoorden. Engelse leenwoorden zijn woorden die we uit het Engels hebben geleend en in het Nederlands gebruiken. Het is de bedoeling dat je deze woorden uit je hoofd leert, want leenwoorden zijn weetwoorden.
Een leenwoord is een woord dat uit de ene taal is overgenomen en in een andere taal is opgenomen . Meestal is er geen vertaling nodig; het woord heeft dezelfde betekenis en vorm, maar is in een andere taal. Tijdens het integratieproces kunnen de uitspraak en grammatica echter veranderen om bij de nieuwe taal te passen. Dit gebeurt bij alle talen.
Moeilijke Engelse woorden zijn vaak lastig door hun schrijfwijze, uitspraak, of betekenis; voorbeelden zijn onomatopoeia (klanknabootsing), juxtaposition (naast elkaar plaatsen), ephemeral (kortstondig), ubiquitous (alomtegenwoordig), pernicious (schadelijk), mellifluous (zacht en zoet), serendipity (gelukkige vondst), quixotic (ideaal, maar onpraktisch), gregarious (gezellig, sociaal), en ubiquitous (alomtegenwoordig). Deze woorden vereisen vaak extra studie vanwege hun ongebruikelijke klank of specifieke, abstracte betekenis, zoals bij Floccinaucinihilipilification (het schatten van iets als waardeloos).