De correcte spelling van het voltooid deelwoord van 'vreten' is gevreten. Hoewel in sommige regio's of in spreektaal soms "gevroten" wordt gehoord, is dit in het standaardnederlands niet de juiste vorm. Het werkwoord wordt vervoegd als: vreten - vrat - gevreten. X +5
Het enige juiste antwoord is geërfd. Georven is fout en is een beetje bekakt. De woordenlijst van de Nederlandse taal is er ook heel duidelijk over.
Je gebruikt een 't' als de werkwoordsstam eindigt op een letter uit 't kofschip (of 't ex-kofschip: t, k, f, s, c, h, p) en een 'd' als de stam op een andere letter eindigt; dit geldt vooral voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord, terwijl in de tegenwoordige tijd (hij/zij/het) altijd een 't' achter de stam komt (stam + t). Bij twijfel kun je bij de tegenwoordige tijd 'jij' ervoor zetten (als het 'jij' is, komt er een 't' bij, zoals 'jij wordt'), en bij het voltooid deelwoord kun je 'hebben' of 'zijn' gebruiken om te testen (zoals 'ik heb gewerkt' (t) vs. 'ik heb gewoond' (d)).
Om te bepalen of je een -d of -t moet schrijven, kun je het voltooid deelwoord verlengen: 'Gewerkt' wordt 'gewerkte' – je hoort een t, dus schrijf je een t. 'Geverfd' wordt 'geverfde' – je hoort een d, dus schrijf je een d.
Het voltooid deelwoord zou eigenlijk geëten moeten luiden, of samengedrukt: geten, en die vorm is ook geattesteerd in het Middelnederlands. Maar in de standaardtaal is het nu gegeten.
Wat is de verleden tijd van vriezen? De verleden tijd van vriezen is 'vroor'. Het voltooid deelwoord is 'heeft gevroren'.
Het is konden (meervoud/verleden tijd) of kon (enkelvoud/verleden tijd), niet "konnen"; "kunnen" is de infinitief (hele werkwoord) of tegenwoordige tijd meervoud (wij/jullie/zij kunnen). "Konden" gebruik je als onderwerp meervoud is (wij/jullie/zij), terwijl "kon" bij enkelvoudige onderwerpen (ik/jij/hij/zij/het) hoort in de verleden tijd, aldus dit artikel op slimleren.nl.
"Beleefd" wordt altijd met een d geschreven, zowel als bijvoeglijk naamwoord (een beleefd persoon) als in de vervoegingen van het werkwoord "beleven" (ik beleefde, wij beleefden), omdat de stam van beleven (belev) eindigt op een v, en 'v' in het 't kofschip niet voorkomt, wat een 'd' als uitgang vereist in de verleden tijd.
Het is verhoogd met een 'd' omdat 'verhoogd' het voltooid deelwoord is van het zwakke werkwoord 'verhogen', en bij zwakke werkwoorden wordt in de verleden tijd en het voltooid deelwoord een 'd' gebruikt als de stam eindigt op een 'g' (zoals 'verhoog-'). De regel 't kofschip' geldt hier niet; de stam eindigt op 'g', dus 'verhoogd'.
De juiste spelling is geuit. Geuit schrijf je zonder trema. Op het eerste gezicht is dat vreemd: de e en de u lijken immers op elkaar te botsen. Daarmee is bedoeld: de e en de u kunnen de tweeklank eu vormen, terwijl dat niet bedoeld is.
"Vult" is de correcte vorm in de tegenwoordige tijd (hij/zij/het vult, jij vult), terwijl "vuld" een verouderde vorm is, en "gevuld" het voltooid deelwoord is (bv. "heeft gevuld"). Je gebruikt "vult" voor het actieve werkwoord in het nu, en "gevuld" om een toestand aan te geven die voltooid is (bv. "de emmer is gevuld").
Bij het vervoegen van een werkwoord neem je altijd de stam: onthouden - onthoud.
met z'n vieren / met ons vieren / met hun vieren / met vier / met vieren* / met ons gevieren* Met z'n vieren, met ons vieren, met hun vieren en met vier zijn allemaal correcte combinaties.
De standaardvorm is 'opgevreten' (zie bijv. woordenlijst.org/#/? q=opvreten), maar 'opgevroten' hoor je ook best vaak Over dat soort informele, soms expres-fout-gebruikte vormen ('georven/geërfd', 'gevroten/gevreten', enz.)
Het werkwoord verhuizen wordt als volgt vervoegd: ik verhuis, jij verhuist, wij verhuizen, jij verhuisde, wij verhuisden, wij zijn verhuisd. De stam (het hele werkwoord min -en) van verhuizen is verhuiz.
Je gebruikt een 't' als de werkwoordsstam eindigt op een letter uit 't kofschip (of 't ex-kofschip: t, k, f, s, c, h, p) en een 'd' als de stam op een andere letter eindigt; dit geldt vooral voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord, terwijl in de tegenwoordige tijd (hij/zij/het) altijd een 't' achter de stam komt (stam + t). Bij twijfel kun je bij de tegenwoordige tijd 'jij' ervoor zetten (als het 'jij' is, komt er een 't' bij, zoals 'jij wordt'), en bij het voltooid deelwoord kun je 'hebben' of 'zijn' gebruiken om te testen (zoals 'ik heb gewerkt' (t) vs. 'ik heb gewoond' (d)).