Een joet (of joetje) is een traditionele Bargoense benaming voor een bankbiljet van 10 gulden. De term stamt uit het Jiddisch, afgeleid van de Hebreeuwse letter 'jod', die de getalswaarde tien vertegenwoordigt. Soms wordt de term informeel gebruikt voor een briefje van 10 euro. Wikipedia +3
De 50 gulden munt, in de volksmond ook wel het “zilveren vijftigje” genoemd, werd tussen 1982 en 1998 uitgegeven. Onder het bewind van Koningin Beatrix kreeg elk jaar een eigen thema of herdenking, variërend van culturele mijlpalen tot belangrijke historische gebeurtenissen.
Juutje = [Bargoens, boeventaal] (zie joetje). joet = Een joet of joetje was is de tijd van de gulden, voor de invoering van de gulden, bargoens voor een biljet van tien gulden. De term is niet echt meegekomen naar het eurotijdperk.
Een joetje (of joet, joedje, juutje) is tien gulden.
Een meier was vroeger in de volkstaal de naam van een briefje van 100 gulden. Het is een afleiding van het Hebreeuwse woord mei'oh, dat 'honderd' betekent.
Joetje: Het 10 gulden biljet, ook wel 'joetje' genoemd, is nu ongeveer €4,54 waard. Knaak: De 2,5 gulden munt, bekend als 'knaak', heeft nu een waarde van ongeveer €1,13. Heitje: De 25 cent munt, ook wel 'heitje' genoemd, is nu ongeveer €0,11 waard.
Oxenaar gebruikte voor zijn ontwerpen portretten van dichter Joost van de Vondel (5 gulden), schilder Frans Hals (10 gulden), componist Jan Pieterszoon Sweelinck (25 gulden), zeeheld Michiel de Ruyter (100 gulden) en filosoof Baruch Spinoza (1000 gulden). Deze biljetten waren ongeveer van 1970 tot 1990 in gebruik.
- Joet(je) of juut(je). Van de Hebreeuwse letter jod, de tiende letter van het alfabet, die als getalswaarde 'tien' heeft. - Sjoof of soof. Zie 'f 1,-'.
Een piek was de benaming van een Nederlandse munt van één gulden. Op de guldenmunten werd vanaf het einde van de zeventiende eeuw de Hollandse maagd afgebeeld. Deze symbolische vrouw droeg een lans of piek, met daarop een vrijheidshoed.
Waarbij een bedrag van 10 gulden (ongeveer 4 euro 50) ook wel een joet, joetje, joedje of juutje werd genoemd.
De gele f 25 circuleerde tot 1928, maar de bijnaam geeltje bleef nog de rest van de eeuw populair!
[Bargoens, boeventaal] 30 stuivers. Een lammetje, (een daalder). Veel schokt hij er niet voor, maar toch altijd wel een lammetje.
Met de Vuurtoren kwam DNB tegemoet aan een behoefte naar biljetten met een waarde tussen de honderd en de duizend gulden. Door stijgende welvaart vormden briefjes van honderd toentertijd bijna de helft van de in omloop zijnde biljetten.
De overige munten die vanaf 1945 circuleerden, waren de stuiver (5 cent), het dubbeltje (10 cent), het kwartje (25 cent), de gulden (100 cent) en de rijksdaalder (2½ gulden, ook wel riks of knaak genoemd).
Het muntstuk van 5 eurocent wordt in Nederland ook stuiver genoemd (in Ierland wordt dit muntstuk shilling genoemd). Niet alleen is de waardeaanduiding (5 cent) gelijk, ook komen de vorm en dikte nagenoeg overeen.
Een roos kost één coin: ongeveer 1,5 cent.
Een meijer was vroeger de populaire naam voor een briefje van honderd gulden. Deze bijnaam was vooral bekend in de twintigste eeuw, toen de gulden nog de gewone munt was in Nederland. Honderd gulden was een flink bedrag, en het briefje werd vaak gebruikt bij grotere aankopen.
Een joet of joetje was is de tijd van de gulden, voor de invoering van de gulden, bargoens voor een biljet van tien gulden. De term is niet echt meegekomen naar het eurotijdperk.
Heitje voor een karweitje betekent dat je een beetje geld krijgt voor een kleine, simpele klus (karweitje). Het is een ouderwetse uitdrukking die nog steeds gebruikt wordt. Een heitje was een ander woord voor kwartje. Dat was een muntje van 25 cent in guldens.
MetaalMunten
Eventueel kunnen de muntjes ook bij het restafval of met andere metalen voorwerpen naar de oud ijzer bak van de milieustraat.
Daar komen de uitdrukkingen 'een rooie rug' of 'een roodje' voor 1000 gulden en 'een geeltje' voor 25 gulden vandaan.
Bekende biljetten die ingevoerd werden, waren de zonnebloem (50 gulden), snip (100 gulden) en de vuurtoren (250 gulden).
Een gulden was een piek, een rijksdaalder een knaak, een biljet van 10 gulden een joet en een biljet van 25 gulden was tientallen jaren een geeltje, ook al was het rood.