One rug (in slang) stands for €1.000. DeMooiLaarbeekKrant +1
Hoewel het geelkleurige bankbiljet van 25 gulden allang uit de roulatie is, ligt het woord geeltje nog in veler monden bestorven, en hetzelfde geldt voor rooie rug, het briefje van duizend, dat tegenwoordig groen is. Bij het naderende afscheid van het 'oude' geld heb ik bijnamen van onze munten en biljetten verzameld.
1000 euro = kop, doezo of rug.
Een (rode) rug wordt nu nog steeds gebruikt als alternatief voor 1000 euro. Een vergelijkbare bijnaam is een geeltje. Die werd gebruikt voor vijfentwintig gulden.
Straattaal voor specifieke bedragen
Enkele voorbeelden waar je op dit vlak aan kan denken zijn degene die je hieronder terug kan vinden. 100 Euro, of wel een Barkie.
Doni betekent dan 'biljet van tien euro; bedrag van tien euro'. Het komt vaker voor dat er woorden uit het Surinaams worden geleend en vooral in jongerentaal worden gebruikt, bijvoorbeeld doekoe 'geld' en patta's 'sportschoenen'.
Een bal is één gulden, een rug is 1000 gulden.
Rug of rooie: Het 1000 gulden biljet, ook wel 'de rooie' genoemd vanwege de rode achterkant. In euro's is dit biljet nu ongeveer €453,78 waard. Meier of snip: Het 100 gulden biljet, vaak 'meier' of 'snip' genoemd, is nu ongeveer €45,38 waard.
Het 1.000 guldenbiljet kreeg een rode keerzijde (rug), en al gauw werd dit in de volksmond een rooie rug genoemd. Het biljet van 25 gulden, met een gele keerzijde, werd het geeltje.
Doezoe is straattaal voor 1000. De betekenis is dus gewoon duizend.
Een 1000-guldenbiljet uit dezelfde serie had een rode achterkant en het 25-guldenbiljet een gele. Daar komen de uitdrukkingen 'een rooie rug' of 'een roodje' voor 1000 gulden en 'een geeltje' voor 25 gulden vandaan.
Een meier was vroeger in de volkstaal de naam van een briefje van 100 gulden. Het is een afleiding van het Hebreeuwse woord mei'oh, dat 'honderd' betekent.
Deze zin gebruik je wanneer je geld nodig hebt en iemand vraagt of hij je geld wilt uitlenen. Je vraagt specifiek om 100 euro. Barkie betekent namelijk 100 euro.
Een piek was de benaming van een Nederlandse munt van één gulden. Op de guldenmunten werd vanaf het einde van de zeventiende eeuw de Hollandse maagd afgebeeld. Deze symbolische vrouw droeg een lans of piek, met daarop een vrijheidshoed.
Andere waren fluitje (1 cent), handje (5), deuppie (10), dubbeldeuppie (20), halfom (50), kleb (kleinste eurobiljet, 5 euro), blauwtje (20 euro), hulk (100), dubbeldekker (200) en eurotop (500).
De 50 gulden munt, in de volksmond ook wel het “zilveren vijftigje” genoemd, werd tussen 1982 en 1998 uitgegeven. Onder het bewind van Koningin Beatrix kreeg elk jaar een eigen thema of herdenking, variërend van culturele mijlpalen tot belangrijke historische gebeurtenissen.
1000 euro = kop, doezo of rug.
[anatomie] zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen; bij mensen aan de achterzijde en bij andere dieren aan de bovenzijde gelegen.
[Bargoens, boeventaal] 30 stuivers. Een lammetje, (een daalder). Veel schokt hij er niet voor, maar toch altijd wel een lammetje.
Een Barkie betekent honderd Euro. De term komt uit het Surinaams. De term is afkomstig van het Surinaamse Sranantongo, waar "barki" of "barka" verwijst naar een biljet van 100 Surinaamse dollar.
1.000,= noemt men een rug of rooie.