Wanneer rond je naar boven of naar beneden af? Bij het afronden kijk je naar het tweede getal achter de komma en kijk je of deze 5 of hoger is of lager. Bij 5 of hoger rond je het tweede getal achter de komma naar boven af, bij 4 of lager rond je het getal naar beneden af.
Tip! Na afronden op een tiental eindigt het getal op één nul. Na afronden op een honderdtal eindigt het getal op twee nullen. Na afronden op een duizendtal eindigt het getal op drie nullen.
Indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, wordt naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, wordt naar boven afgerond naar een geheel getal. Een 5,45 wordt een 5.
Als je af moet ronden op tientallen, dan moet je eerst kijken naar het getal rechts van het tiental. Dat getal is een 4. Bij het afronden gelden altijd deze regels: Is het getal een 4 of lager, dan rond je af naar beneden.
De regels van de afronding
Het totaalbedrag wordt afgerond naar het dichtste veelvoud van 5 cent, ofwel het lagere ofwel het hogere. Het te betalen totaalbedrag dat eindigt op 1 of 2 cent, wordt afgerond naar het lagere x,x0. Het te betalen totaalbedrag dat eindigt op 3, 4, 6 of 7 cent, wordt afgerond naar x,x5.
Werkblad Overzicht
Onthoud: Als het getal op de enenplaats 1, 2, 3 of 4 is, rond dan af naar het dichtstbijzijnde tiental ! Als het getal op de enenplaats 5, 6, 7, 8 of 9 is, rond dan af naar het dichtstbijzijnde tiental! Rond 76 af naar het dichtstbijzijnde tiental. 76 ligt tussen 70 en 80.
In kolom B (of een andere kolom) gebruikt u de functie ROUNDUP om de gewichten naar boven af te ronden . De formule ziet er dan zo uit: =ROUNDUP(A1, 0). Hiermee rondt u de waarde in cel A1 af naar het dichtstbijzijnde gehele getal.
Als je een getal moet afronden, let dan alleen op het eerstvolgende cijfer dat je weglaat.Als dat cijfer lager is dan 5, rond je omlaag af.Is dat cijfer 5 of hoger, rond je omhoog af. Alle volgende cijfers zijn niet van belang.
Bij het afronden kijk je naar het tweede getal achter de komma en kijk je of deze 5 of hoger is of lager. Bij 5 of hoger rond je het tweede getal achter de komma naar boven af, bij 4 of lager rond je het getal naar beneden af. Zo wordt 5,24 afgerond op één decimaal 5,2 en 5,25 afgerond op één decimaal 5,3.
Je bent geslaagd als al je eindcijfers gemiddeld 6 zijn of hoger, met de volgende uitzonderingen: Je mag één 5 hebben als al je andere eindcijfers 6 of hoger zijn. Je mag één 4 hebben, maar dan moeten al je andere eindcijfers 6 of hoger zijn en het gemiddelde van al je eindcijfers ten minste 6,0 zijn.
Je bent geslaagd wanneer je eindcijfer voor Wiskunde een 4,5 is en voor Engels en Nederlands een 5,5. Een 4,5 wordt namelijk afgerond naar een 5 en een 5,5 wordt afgerond naar een 6.
Elk cijfer onder 6 is niet behaald*. Omdat een cijfer eenmaal mag worden afgerond is het dus niet zo dat 5,45 afgerond mag worden naar 5,5 en vervolgens nog een keer afgerond mag worden naar 6. Cijfer 5,45 afronden naar geheel getal geeft 5.
Als je 4,224 moet afronden op 2 decimalen, rond je het af naar 4,22. Als je 4,2251 moet afronden op 2 decimalen, rond je het af naar 4,23. Als je 4,2249 moet afronden op 2 decimalen, rond je het af naar 4,22. Als je 4,2249 moet afronden op 3 decimalen, rond je het af naar 4,225.
Afronden op de dichtstbijzijnde honderdste betekent het afronden van een decimaal getal naar de dichtstbijzijnde honderdste waarde . In decimaal betekent honderdste 1/100 of 0,01. Bijvoorbeeld, de afronding van 2,167 naar de dichtstbijzijnde honderdste is 2,17.
Per kandidaat is er een lijst van CE-cijfers. Van die lijst wordt het rekenkundig gemiddelde bepaald. Dat rekenkundig gemiddelde moet voldoende zijn; 5,5 of hoger. Je bent geslaagd bij een gemiddelde van 5,50 of hoger, maar niet met een gemiddelde van 5,49.
Als je af moet ronden op honderdduizendtallen, dan moet je eerst kijken naar het getal rechts van het honderdduizendtal. Dat getal is een 7. Bij het afronden gelden altijd deze regels: Is het getal een 4 of lager, dan rond je af naar beneden.
Om af te ronden naar de dichtstbijzijnde hele voet, kijk je naar het decimale deel van de meting. Als het 0,5 of meer is, rond je naar boven af; als het minder dan 0,5 is, rond je naar beneden af . Bijvoorbeeld, 8,7 voet rond je naar boven af op 9 voet, terwijl 8,3 voet naar beneden afrondt op 8 voet.
=AFRONDEN.NAAR.BOVEN(aantal;aantal_cijfers)
De functie ROUNDUP gebruikt de volgende argumenten: Number (vereist argument) – Dit is een reëel getal dat we naar boven willen afronden. Num_digits (vereist argument) – Dit is het aantal cijfers waarop we het getal willen afronden.
Om altijd naar boven af te ronden (weg van nul), gebruikt u de functie ROUNDUP. Om altijd naar beneden af te ronden (richting nul), gebruikt u de functie ROUNDDOWN. Om een getal af te ronden op een specifiek veelvoud (bijvoorbeeld om af te ronden op de dichtstbijzijnde 0,5), gebruikt u de functie MROUND .
Om een getal af te ronden naar de dichtstbijzijnde 10, kijk naar het eenheidscijfer. Als het eenheidscijfer 5 of meer is, rond dan naar boven af.Als het eenheidscijfer 4 of minder is, rond dan naar beneden af .
34 afgerond op het dichtstbijzijnde tiental is 30 .
Standaard is een werkblad bijvoorbeeld tussen 28 en 38 mm dik, al winnen dunne werkbladen steeds meer aan populariteit. Hou er echter wel rekening mee dat dit niet elk materiaal zich hiervoor leent. Zo kies je voor een 'slim'-effect bijvoorbeeld beter voor kwartscomposiet, wat je al in diktes van 12-13 mm kunt krijgen.