Een bankbiljet van 50 gulden werd in de volksmond de zonnebloem genoemd. Deze benaming komt van het bekende ontwerp van de grafisch vormgever Ootje Oxenaar, dat vanaf 1982 in omloop was. Historiek +1
- Sjoof of soof. Markttaal. Van het Hebreeuwse woord zohuw, 'goud' of 'gouden munt'. Volgens verschillende bronnen kan deze aanduiding ook gebruikt worden voor vijftig of honderd gulden.
Tegenwoordig ook, maar niet frequent, gebruikt voor 100 euro. In de volkstaal wordt ook 'een bankje' of een snip (naar de afbeelding op het 100-guldenbiljet) gebruikt voor ditzelfde bedrag.
De poster laat de geschiedenis van de 50 uitgegeven Nederlandse bankbiljetten zien van 1814 tot 2002. Van het eerste biljet (waardepapier) tot bijvoorbeeld de Zonnebloem (50 gulden) en de Snip (100 gulden) ze staan allemaal chronologisch gerangschikt van waarde (5 gulden tot 1000 gulden) op deze unieke poster.
Bekende biljetten die ingevoerd werden, waren de zonnebloem (50 gulden), snip (100 gulden) en de vuurtoren (250 gulden).
Een gulden was een piek, een rijksdaalder een knaak, een biljet van 10 gulden een joet en een biljet van 25 gulden was tientallen jaren een geeltje, ook al was het rood. Het 100-guldenbiljet met een vogel werd al heel snel 'snip' genoemd, naar de vogel die op het biljet was afgebeeld.
Het muntstuk van 5 eurocent wordt in Nederland ook stuiver genoemd (in Ierland wordt dit muntstuk shilling genoemd). Niet alleen is de waardeaanduiding (5 cent) gelijk, ook komen de vorm en dikte nagenoeg overeen.
Een piek was de benaming van een Nederlandse munt van één gulden. Op de guldenmunten werd vanaf het einde van de zeventiende eeuw de Hollandse maagd afgebeeld. Deze symbolische vrouw droeg een lans of piek, met daarop een vrijheidshoed.
De overige munten die vanaf 1945 circuleerden, waren de stuiver (5 cent), het dubbeltje (10 cent), het kwartje (25 cent), de gulden (100 cent) en de rijksdaalder (2½ gulden, ook wel riks of knaak genoemd).
In 1814 werd, door de toen net opgerichte Nederlandsche Bank, voor het eerst een 25 gulden bankbiljet uitgegeven. Dit biljet, ook bekend als het 'Roodborstje', is voorzien van drie handtekeningen van de directie van de Nederlandsche Bank.
Een joetje (of joet, joedje, juutje) is tien gulden. De benaming komt uit het Hebreeuws. In het Hebreeuwse alfabet is de letter jod (ook wel uitgesproken joed) de tiende letter. Via het Jiddisch kwam het in het Nederlands terecht.
Het guldenbiljet van 25 euro met Sweelinck is rood. Dit biljet werd vroeger ook wel 'geeltje' genoemd en is 11,34 euro waard bij inwisseling. Na de invoering van de euro hebben de meesten mensen hun guldenbiljetten ingewisseld voor euro's. Vlak voor de komst van de euro waren er 298 miljoen guldenbiljetten in omloop.
[Bargoens, boeventaal] 30 stuivers. Een lammetje, (een daalder). Veel schokt hij er niet voor, maar toch altijd wel een lammetje.
[Let op: Spelling en uitleg uit 1890] (Bargoens), honderd gulden.
Het zilveren vijftigje of 50 guldenstuk, 50 gulden, 50 guldenmunt of zilveren knoepert was een muntstuk dat van 1982 tot 1998 geslagen werd en tot 2002 wettig Nederlands betaalmiddel was.
100 Euro, of wel een Barkie.
Biljetten
De oudste daalders waren zware zilveren munten van goede kwaliteit. Al in de 16de eeuw had de Nederlandse daalder een waarde van dertig stuivers, die in de waarde van 1,5 gulden tot op heden is gehandhaafd.
Barki betekent 'biljet van honderd gulden; bedrag van honderd gulden'.
Het gevarieerde zandlandschap in Noord-Drenthe is ontstaan in de ijstijd. Dit landschap, met zandruggen en beekdalen, wordt het Hondsrugsysteem genoemd. De Hondsrug is de meest oostelijke zandrug en ligt in een rij met 4 andere ruggen, zoals de Tynaarlorug, Rolderug, Zeijenrug en de rug van Norg.
Een geeltje stond aanvankelijk voor een munt van goud met een variabele waarde. Het biljet waaraan het geeltje zijn naam dankt. In de periode 1861-1909 was er een geelkleurig bankbiljet van 25 gulden dat in de volksmond ook 'geeltje' werd genoemd.
Een schelling is een oude zilveren Nederlandse munt die een waarde had van zes stuivers en in Vlaanderen van twaalf groten of één twintigste van één livre.
Tientje van Lieftinck. Het Tientje van Lieftinck is de bijnaam van de tien gulden die de Nederlanders op 26 september 1945 kregen van de minister van Financiën Piet Lieftinck. In het kader van de geldzuivering werd al het Nederlandse papiergeld ongeldig verklaard en alle banktegoeden bevroren.
Een 'Penny' is letterlijk vertaald 1 cent, maar volgens de SEC (Securities and Exchange Commision) is er officieel sprake van een penny stock als een aandeel onder de 5 dollar noteert.