De kern bevat vaak meerdere alinea's. In de inleiding kan de schrijver bijvoorbeeld een voorbeeld noemen of de aanleiding tot het schrijven van de tekst. In de kern lees of schrijf je waar het eigenlijk om gaat. In het slot trekt de schrijver een conclusie of een korte samenvatting.
Inleiding
In de inleiding wordt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is. De inleiding van de tekst is bedoeld om de aandacht van de lezer te trekken. De lezer wordt nieuwsgierig gemaakt naar de rest van de tekst.
Het laatste deel van een tekst wordt het slot genoemd. Het slot herhaalt meestal het belangrijkste uit de tekst. Door het slot wordt het verhaal mooi rond. Let op: bij nieuwsberichten is er vaak geen slot.
Hoe ga je dan te werk? Vaak kun je het onderwerp al vinden zonder de tekst in zijn geheel te lezen . Je kunt kijken naar de titel, de eerste alinea, de tussenkopjes en de plaatjes. Meestal heb je dan al een goed beeld van waar de tekst over zal gaan en kun je dit in één of enkele woorden beschrijven.
De inleiding moet een haak, achtergrondinformatie en een these bevatten. Het hoofdgedeelte van een overzicht bevat het subonderwerp dat in die paragraaf behandeld moet worden, gevolgd door de details die besproken zullen worden. De conclusie bevat een herformuleerde these en een laatste gedachte om de lezer mee achter te laten.
Body: De paragrafen tussen uw inleiding en conclusie . De body van uw paper ondersteunt het hoofdpunt van uw paper. Topic Sentence: De zin aan het begin van elke body-paragraaf. Het legt het hoofdpunt uit dat de paragraaf gaat maken. Conclusion: De laatste paragraaf van uw paper.
Na de meningen en alle argumenten trekt de schrijver aan het eind van een tekst vaak een conclusie. Een conclusie is een soort eindoordeel na alle informatie bij het standpunt. Je herkent een conclusie aan signaalwoorden als: dus, concluderend, dat betekent.
Slot / conclusie: In de laatste alinea wordt het werk afgerond, mogelijk met een conclusie of een korte opsomming van het voorgaande schrijven. Er kan hier ook een mening worden opgenomen van de auteur die in de rest van de tekst niet aanwezig is, maar dit hoeft niet.
De kernzin van de alinea staat meestal aan het begin: het is de eerste of tweede zin. Zo ziet de lezer meteen waar de alinea over gaat. De rest van de alinea werkt de hoofdgedachte uit de kernzin verder uit.
Als je op zoek bent naar de hoofdgedachte van een tekst, zoek je naar de belangrijkste informatie die de schrijver over het onderwerp geeft. Als je dat in één of twee zinnen navertelt, heb je de hoofdgedachte te pakken!
Een tekst bestaat meestal uit 3 delen: een inleiding, een middenstuk en een slot. In de inleiding vind je het onderwerp van de tekst.In het middenstuk worden deelonderwerpen van het onderwerp besproken.In het slot vind je vaak de hoofdgedachte van een tekst.
In nieuwsberichten ontbreekt vaak het slot. Het belangrijkste staat altijd in het begin van een nieuwsbericht en het deel daarna geeft extra informatie. In informatieve teksten, zoals in naslagwerken en op internet, ontbreken de inleiding en het slot bijna altijd.
Slot: meestal is dit de conclusie of samenvatting. Het kan ook zo zijn dat je je eigen mening over het onderwerp moet geven of dat je terugblikt op het schrijven van het verslag.
De inleiding en het slot bestaan meestal beide uit maar één alinea. De kern bestaat daarentegen uit een aantal alinea's.
De kern van het verhaal is geldig, en het argument is er een die ik ondersteun. Je snapt de kern van wat ik zeg. Dat zou de kern van het stuk zijn. Maar dat was de kern van zijn bewering.
Meestal 1ste of laatste zin in alinea. (ELZA) Heeft kernwoorden die letterlijk in titel en / of tussentitel voorkomen. Heeft kernwoorden die je kan linken aan de titel en / of tussentitel.
In een kernzin staat de belangrijkste informatie (de kern) van een alinea. Het geeft in één zin een overzicht van wat er in de hele alinea verteld wordt. Vaak staat de kernzin aan het begin of juist aan het einde van een alinea.
Uitwerking van de kernzin. De kernzin werk je uit in de rest van de alinea. Een alinea wordt daardoor gemiddeld tussen de drie en tien zinnen (of vier tot twaalf regels). Uitwerkingen van een kernzin kunnen onder andere bestaan uit een voorbeeld, een nadere uitleg of toelichting.
- Slot: Maak een samenvatting (in het kort nog even herhalen wat je allemaal hebt geschreven) of geef in het slot je eigen mening (conclusie). - Nawoord: Beschrijf hoe je alle stappen uitgevoerd hebt en wat je er van vond.
Je conclusie begint met het herhalen van je onderzoeksvraag en/of hoofdvraag en je deelvragen. Vervolgens geef je beknopt aan hoe je die vragen hebt onderzocht. Kijk hiervoor terug naar de drie vragen die je jezelf hebt gesteld in het opzetten van je methodologie (zie onderzoek).
Hoe herken je structuur in de tekst? Lees de paragraaftitels, de eerste zinnen van de belangrijkste paragrafen en tussenkopjes. Deze vertellen waar de tekstdelen over gaan en meestal is dat voldoende om de belangrijkste ideeën te begrijpen. Let op signaalwoorden waarmee de auteur de structuur en gedachtegang aangeeft.