Samenvattend: De datief of derde naamval gebruik je voor het meewerkend voorwerp in een zin. De controlevraag bij de datief is: aan wie of voor wie + onderwerp + gezegde? De datief volgt dwingend na de voorzetsels: mit, nach, bei, seit, von, zu, aus, außer.
De eerste naamval gebruik je voor het onderwerp, de tweede naamval om een bezitsrelatie aan te duiden, de derde naamval voor het meewerkend voorwerp en de vierde naamval voor het lijdend voorwerp.
Het wederkerend voornaamwoord staat in de 4e naamval wanneer er géén lijdend voorwerp in de zin staat. Ich wasche mich. Zodra er wél een lijdend voorwerp (voorbeeld: “die Haare”) in de zin staat, staat het wederkerend voornaamwoord in de 3e naamval. Voorbeeld: Ich wasche mir die Haare.
'Der Akkusativ' is de vierde naamval in het Duits. Deze naamval wordt gebruikt voor het lijdend voorwerp . Je kan weten wat het lijdend voorwerp door de vraag “Wie/wat + gezegde + onderwerp?” te stellen. Het antwoord is dan het lijdend voorwerp!
Tijdsbepalingen met een voorzetsel staan in de 3e naamval: Am Montag / im Sommer / seit einem Jahr spiele ich Tennis. (zonder voorzetsel staan tijdsbepalingen in de 4e naamval: Ich gehe jeden Tag ins Fitnesszentrum.) Als een werkwoord een voorzetsel als voorvoegsel heeft wordt de 3e naamval gebruikt.
De accusatief is voor directe objecten. Het directe object is de persoon of het ding dat de actie ontvangt. Dus in "het meisje schopt de bal", is "de bal" het directe object. De datief is voor indirecte objecten.
Samenvattend: De datief of derde naamval gebruik je voor het meewerkend voorwerp in een zin. De controlevraag bij de datief is: aan wie of voor wie + onderwerp + gezegde? De datief volgt dwingend na de voorzetsels: mit, nach, bei, seit, von, zu, aus, außer.
auf en über (in de betekenis 'over'): vrijwel altijd 4e naamval. alle andere voorzetsels uit deze categorie: 3e naamval.
Het verschil ligt hem in de beweging. De akkusativ wordt gebruikt wanneer iemand of iets in beweging is en een richting uitgaat. Dan krijg je eigenlijk een antwoord op de vraag "Waarheen ...". De dativ wordt gebruikt om een toestand aan te tonen.
uitdrukt, dan volgt de vierde naamval. Indien het werkwoord + keuzevoorzetsel geen van deze uitdrukt, dan geldt de 7/2 regel: an, hinter, neben, in, unter, vor en zwischen krijgen de derde naamval en auf en über krijgen de vierde naamval.
Als het hierbij ook niet gaat om een tijdsbepaling (wanneer?), dan moet je na het keuzevoorzetsel de derde naamval gebruiken bij de voorzetsels an , hinter , neben , in, unter , vor en zwischen .Bij de voorzetsels auf en über gebruik je dan in dit geval de vierde naamval.
De vocatief (Latijn: vocativus; vocare = roepen) of vijfde naamval is de naamval die wordt gebruikt als iemand of iets wordt aangesproken.
In de eerste naamval (normale vorm in de eerste klas) gebruik je ein voor mannelijke en onzijdige woorden. Bijvoorbeeld: Ein Mann, Ein Kind. Eine gebruik je voor vrouwelijke woorden en woorden in het meervoud. Bijvoorbeeld: Eine Frau.
Ook het onderscheid dat we bij de persoonlijke voornaamwoorden maken tussen de onderwerpsvorm en de niet-onderwerpsvorm, is terug te brengen tot het verschil tussen de eerste naamval (nominatief) en de derde of de vierde naamval (datief of accusatief): ik - mij, jij - jou, hij - hem, zij - haar, wij - ons, zij - hun/ ...
Is het de of het vuil
In de Nederlandse taal gebruiken wij het vuil.
Dir wordt gebruikt als je wilt laten zien voor wie iets is of wie er door een actie wordt beïnvloed (datief), terwijl dich wordt gebruikt om direct naar de persoon of het ding te wijzen dat de actie ontvangt (accusatief) . Onthoud: Dir is alsof je zegt "Aan jou!" of "Voor jou!" Dich is alsof je zegt "Jij, ik heb het over jou!"
Een samenvatting van de datief in het Engels
We gebruiken het om het meewerkend voorwerp te definiëren . Vergeet niet dat het meewerkend voorwerp ons vertelt aan wie of voor wie een actie is voltooid. We gebruiken de datief alleen als we een transitief werkwoord hebben, aangezien een meewerkend voorwerp nodig is om een meewerkend voorwerp in een zin te hebben.
– Achter de voorzetsels: aus, bei, mit, nach, von, seit, gegenüber en auẞer komt altijd Dativ. Akkusativ is de vierde naamval. Je gebruikt het voor het lijdend voorwerp. Heb je bijvoorbeeld weer de zin 'Hij geeft zijn jas aan het meisje', dan ga je vervoegen: hij geeft, dus hij is het onderwerp (nominativ).
De accusatief, akkusativ, is de naamval die wordt gebruikt om het lijdend voorwerp van een zin over te brengen; de persoon of het ding dat door de handeling van het onderwerp wordt beïnvloed .
Vierde naamval: lijdend voorwerp
Een voorbeeld van een zin met het persoonlijke voornaamwoord als lijdend voorwerp is 'Ihr habt mich geholfen. '