Botsen wordt in het voltooid deelwoord meestal vervoegd met hebben (ik heb gebotst). Hoewel zijn soms in taalgidsen wordt genoemd voor bewegingswerkwoorden, is hebben de standaardvorm bij dit werkwoord. Schrijfwijzer +2
Zonder lijdend voorwerp: zijn gestart
(de zin bevat geen lijdend voorwerp; met een onderzoek is voorzetselvoorwerp) De inschrijving is gestart. (de zin bevat geen lijdend voorwerp; alleen is is mogelijk)
Bewegingswerkwoorden, zoals rijden, fietsen en lopen, kunnen de handeling aangeven, maar ook de richting van de beweging. Als het om de handeling gaat, het resultaat of de ontstane situatie, gebruiken we hebben. Als het om de richting gaat, gebruiken we zijn: Wij hebben drie uur gereden.
Het correcte is verhoogd (met een d), omdat de stam van het werkwoord 'verhogen' eindigt op een 'g', wat geen letter uit het 'kofschip' (k, f, sch, p) is, en het voltooid deelwoord altijd een 'd' krijgt als de stam niet op een letter uit het 'kofschip' eindigt. Je gebruikt 'verhoogd' als voltooid deelwoord in combinatie met 'hebben' of 'zijn', zoals in 'het is verhoogd' of 'ik heb het verhoogd'.
Voltooid deelwoord = stam + d/t
Die bestaat uit een vorm van het hulpwerkwoord “zijn” of “hebben” en een voltooid deelwoord. De werkwoorden waarvan de werkwoordstam op een letter uit 't kofschip eindigt, krijgen een “t” erachter. Werkwoorden waarvan de stam niet op een letter uit 't kofschip eindigt, krijgen een “d”.
Is hun hebben tegenwoordig ook goed? Nee, hun als onderwerp (hun zijn, hun doen, hun zeggen, hun hebben, enz.) geldt nog steeds als een flinke taalfout. Een zin als 'Hun hebben dat gedaan' is volgens de taalnorm nog steeds een ernstige en lelijke fout.
Werkwoorden van beweging, zoals fietsen, rijden, kruipen, lopen, reizen, vliegen. Als de handeling zelf centraal staat, worden deze werkwoorden met hebben vervoegd. Als de verandering van plaats of de richting (met het te bereiken doel) centraal staat, worden ze met zijn vervoegd.
Er gebeurt hier altijd wat
Het onderwerp is wat. Daarom geldt de regel: stam (gebeur) + t = gebeurt. 'Er gebeurt hier altijd wat' is dus vergelijkbaar met bijvoorbeeld 'Er speelt hier altijd wat' en 'Er valt hier altijd wat voor. ' Tegenwoordige tijd enkelvoud, dus: stam + t.
Het werkwoord vernissen ('lakken') wordt volgens alle woordenboeken en het Groene Boekje als volgt vervoegd: vernissen - verniste - gevernist. Alleen Van Dale (1999) schrijft dat in de spreektaal ook vaak de vorm vernist voorkomt Van Dale vermeldt die variant al sinds 1961.
Wat is juist: 'Ik heb zijn naam vergeten' of 'Ik ben zijn naam vergeten'? 'Ik ben zijn naam vergeten' heeft de voorkeur. Als vergeten de betekenis 'niet meer weten' heeft, zijn 'ik ben het vergeten', 'wij zijn het vergeten', enz. het best.
Top 10 meest voorkomende taalfouten in het Nederlands
Het is vind jij (in een vraag) en jij vindt (in een bevestigende zin); de 't' valt weg als 'jij' achter de persoonsvorm staat in een vraag, omdat 'jij' dan het onderwerp is, terwijl 'jij vindt' correct is als 'jij' het onderwerp is dat voor de persoonsvorm staat (bv. "Jij vindt dat mooi"). De correcte vorm in een vraag is dus altijd de stam: Vind jij.
Beide zinnen zijn juist, maar er is een betekenisverschil. 'Ze is door de duinen gefietst' betekent dat ze, op weg ergens naartoe, een route heeft gevolgd die door de duinen ging. 'Ze heeft door de duinen gefietst' betekent dat ze een tijdje is gaan fietsen, door de duinen – al dan niet met een doel voor ogen.
Zowel zijn nagegaan als hebben nagegaan is juist. Het werkwoord nagaan kon lange tijd alleen vervoegd worden met zijn.
Het is " had je er een?". Je kunt geen twee vervoegde werkwoorden direct na elkaar gebruiken zonder iets dat de twee zinnen verbindt, en "had" is al vervoegd. Wanneer je "had" gebruikt, behoud dan de basisvorm van het werkwoord (in dit geval "had").
ik herhaal, jij herhaalt, hij herhaalt, wij herhalen. ik herhaalde, wij herhaalden. ik heb herhaald.